Vierhonderd vijfentwintig woorden

24 november 2020

Vierhonderd vijfentwintig woorden

Over de verhoren van Weekers, Wiebes en Asscher

Parlementaire hoorzittingen waar getuigen onder ede worden gehoord, waren twintig jaar in de vergetelheid geraakt, tussen 1958 en 1978. De parlementaire enquête over de teloorgang ondanks staatssteun van het scheepsbouwbedrijf RSV, markeerde de comeback van dit fenomeen, wat menigmaal leidde tot het aftreden van bewindspersonen. De langste enquête was die over Tweede Wereldoorlog: elf jaar. Het is altijd een genoegen om leden van een enquête of onderzoekscommissie aan het werk te zien: ze opereren als ingewerkte teams omdat ze kunnen beschikken over sterke onderzoeksstaven.  Ook bij het parlementaire onderzoek naar de misstanden rond de terugvordering van de Kinderopvangtoeslag, een ‘parlementaire enquête light’, blijkt weer dat zonder uitzondering de Tweede Kamerleden uitstekende ondervragers zijn, van PVV-er van Aalst tot Salima Belhaj van D66.

De ondervraging gisteren van de toenmalige bewindslieden, Weekers, Wiebes en Asscher, zette me weer aan denken over de schier onmogelijk rol die een bewindspersoon moet vervullen. Hun portefeuilles kennen een veelvoud aan vraagstukken. Het lastigst is, dat blijkt nu weer, het checken van potentiële misstanden. In Nederland is hiervoor veel geregeld buiten de departementen: er is het uitstekende instituut van de Nationale Ombudsman, Kamerleden kunnen al alleen door het stellen van vragen alarm slaan. Maar als het om uitvoering gaat worden bewindspersonen door de bureaucratische systemen weggehouden Dat blijft me verbazen. Als je alleen al kijkt naar de directie Kinderopvang op het ministere van Sociale Zaken, de vijfentwintig medewerkers zijn goed op de hoogte van de praktijk. Ze laten zich informeren, gaan regelmatig op werkbezoek en zijn zeer toegankelijk.  

Terug naar de hoorzitting: waarom heeft het zover moeten komen, waardoor talloze ouders gedupeerd zijn geraakt door het abrupt stopzetten en terugvorderen van kinderopvangopslag. Waarom zei Eric Wiebes gisteren aan het eind van zijn verhoor toen hij zijn mondkapje opzette: ”wat een verdrietige boel, verschrikkelijk’ Ik ken Wiebes uit zijn tijd als wethouder in Amsterdam, hij zat dicht op de bal, op de praktijk en de uitvoering, Het zelfde geldt voor Asscher als wethouder.  Maar het kan ook goed gaan: dat bleek tijdens Cornona 1 toen Kinderopvang de noodopvang voor cruciale beroepen verzorgde. Vanaf het begin af aan was de samenwerking tussen de ‘vrijgestelde’ ambtenaren van de Fiscus en het ministerie van Sociale Zaken optimaal. Iedereen was het eens over de hoofdvoorwaarde: de uitvoering moet maatwerk zijn en niet te complex. Toen later de Sociale Verzekeringsbank ‘aansloot’ om de compensatieregeling uit te voeren, omdat de niet cruciale beroepen geen gebruik konden maken van de Kinderopvang, kwam, de expertise van de SVB zeer van pas. Het was het toppunt van goede overheidssamenwerking.

Felix Rottenberg